Denkwijze die zich tegen de joodse religie richt. Wordt dikwijls gebruikt als dekmantel voor de term antisemitisme.
De filosofe Hannah Arendt brengt een sterk onderscheid aan tussen anti-judaïsme en
antisemitisme. Ze gaat zover te stellen dat de beide termen niets met elkaar te maken hebben. Zij beschouwt
antisemitisme als een raciale theorie, waarin beargumenteerd wordt dat
joden minderwaardig zijn.
Anti-judaïsme betekent in haar beschouwing ‘tegen het religieuze
jodendom’. De term komt uit de tijd van de eerste
christenen. Een deel van hen meende dat, om christen te worden, een persoon eerst joods moest zijn en bijvoorbeeld besneden moest worden. Een ander deel vond dat het geloof toegankelijk was voor iedereen en dat men niet joods hoefde te zijn. Het woord anti-judaisme komt van deze eerste
christenen, die zichzelf als ‘anders’ wilden bestempelen dan de
joden en dat met de term ‘anti’ deden.
Antisemitisme wordt doorgaans beschouwd als een product van de samenleving, terwijl anti-judaïsme in strikte zin genomen religieus van aard is. Het onderscheid is niet altijd te maken. Er zijn ook mensen die anti-judaïsme als
onderdeel van of als
dekmantel voor
antisemitisme beschouwen. Hetzelfde gaat op voor anti-zionisme.