Mongools volk dat aan het begin van de Middeleeuwen vanuit Centraal-Azië richting Europa uitbreidt.
De Avaren, afkomstig uit het gebied grenzend aan het Chinese rijk, trekken vanaf de vierde eeuw, in navolging van de Hunnen en de Turken richting het westen, richting Europa. De migratiegolven hebben onder meer de val van het West-Romeinse rijk tot gevolg, omdat de Goten en Germanen ook gedwongen worden westwaarts te migreren.
De Avaren komen terecht op de Russische steppen en in de zesde eeuw ook in Oost-Europa, met als basis een plek in de buurt van het huidige Belgrado. Het rijk strekt zich uit van de Wolga tot aan de Baltische Zee. Vanuit dat gebied vormt het volk zo´n drie eeuwen lang een reële bedreiging voor Europa.
De Avaren komen in de zesde en zevende eeuw in conflict met keizer Justinus II in Constantinopel, die weigerde het volk belastinggeld te betalen. Dat laten de Avaren niet op zich zitten: woedend vallen ze zijn rijk aan. Het komt tot een veldsla en de Byzantijnen delven het onderspit. In de daaropvolgende decennia blijven hun rijk én hun schatkist groeien door oneerlijke beslaglegging op grondgebied en gedwongen belastingen. Het Byzantijnse rijk met Constantinopel als centrum blijft de belangrijkste vijand.
In 626 doen de Avaren, samen met onder meer Perzen, Hunnen en Bulgaren een laatste poging Constantinopel te belegeren. De aanval loopt uit op een mislukking.
Na de dood van de Avaarse khan (de leider van het volk) raakt het rijk in verval. Slavische en Bulgaarse expansie zorgen voor de teloorgang van het rijk en Karel de Grote brengt de Avaren beslissende nederlagen toe, zoals die in 791. Uiteindelijk zijn het de Bulgaren in het begin van de negende eeuw, die het rijk van de Avaren definitief met de grond gelijk maken.