Toen verscheen de Here aan Abram en zeide: 'Aan uw nageslacht zal Ik dit land geven'. En hij bouwde daar een altaar voor de Here, die hem verschenen was.
(Genesis 12:7)
Te dien dage sloot de Here een verbond met Abram, zeggende: 'Aan uw nageslacht zal Ik dit land geven, van de rivier van Egypte tot de grote rivier, de rivier de Eufraat'.
(Genesis 15:18)
'Ik zal aan u en uw nageslacht het land, waarin gij als vreemdeling vertoeft het ganse land Kanaan, tot een altoosdurende bezitting geven, en Ik zal hun tot een God zijn'.
(Genesis 17:8)
'Hij [God] geve u de zegen van Abraham, u en uw nageslacht met u, zodat gij het land uwer vreemdelingschap, dat God aan Abraham gegeven heeft, in bezit krijgt'.
(Genesis 28:4)
'En zie, de Here stond bovenaan en zeide: Ik ben de Here, de God van uw vader Abraham en de God van Isaak; het land, waarop gij ligt, zal Ik aan u en aan uw nageslacht geven'. (Genesis 28:13)
'En dit land, dat Ik Abraham en Isaak gegeven heb, zal Ik u geven; en uw nageslacht zal Ik dit land geven'.
(Genesis 35:12)
'Daarom ben Ik [God] nedergedaald om hen uit de macht der Egyptenaren te redden en uit dit land te voeren naar een goed en wijd land, een land vloeiende van melk en honig, naar de woonplaats van de Kanaanieten, Hethieten, Amorieten, Perizzieten, Chiwwieten en Jebusieten'.
(Exodus 3:8)
'En Ik [God] zal u het gebied geven van de Schelfzee tot de Zee der Filistijnen en van de woestijn tot de Rivier, want Ik zal de inwoners van het land in uw macht geven, zodat gij hen voor u uit verdrijft'.
(Exodus 23:31)