Bijbels volk. Synoniem voor het volk Israël. Maar mogelijk ook voor buitenlanders, indringers, vreemdelingen, allochtonen, slaven, armen en mensen die de Jordaan oversteken.
Over de naam bestaan allerlei theorieën. De gangbaarste is dat de naam Hebreeën is afgeleid van de eerste persoon die Hebreeuws wordt genoemd: Eber (of: Heber). Volgens de legende had Eber niet meegeholpen bij de bouw van de Toren van Babel. Daardoor mocht zijn taal hetzelfde blijven nadat de toren instortte. De taal die hij sprak werd vervolgens naar hem vernoemd: Hebreeuws. Degenen die de taal spraken werden Hebreeën genoemd. Eber is volgens de Bijbel een voorvader van Abraham. In Genesis 10:21 staat dat Sem de vader van alle zonen van Eber is. De geschiedenis van de Hebreeën begint in die opvatting bij Abraham, de stamvader van het Hebreeuwse en joodse volk. De lijn wordt voortgezet door Izaak, de zoon van Abraham en Sara en zo groeit het volk.
De woorden Habiroe en Apiroe staan ook voor vreemdelingen, mensen die van buiten komen. Het woord Hebreeën zou dan oorspronkelijk een betekenis kunnen hebben die verwant is aan ons woord ‘allochtonen’ . De aanduiding zou dan dus niet exclusief voor Israëlieten gegolden hebben.
Het woord ‘eber’ kan vertaald worden met ’over’ of ´oversteek´. Het volk zou zo heten omdat het als nomadenvolk voortdurend onderweg was en ´overstak´ van de ene naar de andere plek. Het woord (ibrî) kan worden vertaald als ‘eenvoudig iemand, arm en onvrij’.
De Hebreeën zijn verwant aan de Noordwestelijke Semieten en hun taal lijkt op die van de Edomieten en de Moabieten. Lange tijd leven de Hebreeën als nomaden, maar in het verhaal van de Bijbel is dit aan het veranderen.
In het Nieuwe Testament (het tweede, christelijke deel van de Bijbel; het eerste deel is het Joodse of Hebreeuwse deel) is een brief opgenomen van Paulus aan de Hebreeën. Ook wordt de naam Hebron (op dezelfde plaats als Kirjat-Arba, de stad waar Abraham zich vestigt) wel met de naam van de Hebreeën in verband gebracht.