Degenen die de Palestijnse zaak een goed hart toedragen beroepen zich vaak op het
“internationaal recht” om hun veroordeling van Israël te onderbouwen. Het gaat
hierbij om resoluties van de Verenigde Naties (VN) waarin Israël wordt veroordeeld
dan wel wordt bevolen bepaalde handelingen te verrichten. Dergelijke resoluties zijn
er in overvloed. Meer dan een kwart van de VN resoluties die de
mensenrechtensituatie in een land veroordelen hadden betrekking op Israël. Zes van
de tien speciale bijeenkomsten van de Algemene Vergadering gingen over het
Midden-Oosten conflict en eindigden vaak in een veroordeling van Israël. Voor de
(internationale) burger die deze veroordelingen probeert te bezien in het perspectief
van de mensenrechten elders in de wereld is de grote aandacht voor vermeend onrecht
als gevolg van het optreden van Israël verbazingwekkend. Zoals Bayefski ook
betoogt, kunnen de uitspraken van de VN over Israël moeilijk als proportioneel
worden beschouwd als men beziet in welke gevallen de aantasting van mensenrechten
tot op heden niet werden veroordeeld1.
Het is voor een objectieve beschouwer moeilijk zich aan de indruk te
onttrekken dat in de kwestie Israël het internationaal recht misbruikt wordt om eng
politieke doeleinden te realiseren. Dat dit mogelijk is, komt kennelijk doordat de
scheiding van machten op internationaal niveau niet goed gerealiseerd is. Voor een
deugdelijk nationaal rechtssysteem wordt algemeen de scheiding van de machten als
een noodzakelijke voorwaarde gezien. In Nederland werd er bijvoorbeeld over
geklaagd dat het Tweede-Kamerlid mevrouw Verdonk demonstratief aanwezig was
bij het proces tegen de mevrouw die verdacht werd van doodslag op een Marokkaanse
tasjesdief. Men wil niet dat de politiek zich bemoeit met de toepassing van het recht.
Bij het internationaal recht wordt er echter wel ”recht” gesproken door
belanghebbende staten, namelijk in de algemene vergadering of de veiligheidsraad
van de Verenigde Naties. De resoluties die in deze organen worden aangenomen
hebben het karakter van een rechtelijke uitspraak (al zijn de resoluties van de
algemene vergadering niet dwingend), maar worden uiteraard mede beïnvloed door de
politieke belangen van de lidstaten. In het geval van Israël was er in de jaren ‘70 en
‘80 sprake van een hecht blok van Arabische landen en landen in de invloedssfeer van
de Sovjet Unie die er vaak in slaagden Israël in de verdachtenbank te krijgen. Dit
wijst op een ander probleem, namelijk dat staten die onderdeel zijn van het
internationaal rechtssysteem in eigen huis vaak geen deugdelijk rechtssysteem
bezitten, maar toch invloed uitoefenen op de uitspraken in het kader van het
internationaal recht.
Het meest dichtbij het ideaal van een scheiding der machten komt het
Internationale Hof van Justitie waar, naar ik aanneem, zonder ruggespraak recht wordt
gesproken2. Helaas blijkt ook hier dat politieke pressie de uitspraken van het Hof
kunnen beïnvloeden. Dat heeft zich met name voorgedaan bij de beoordeling door het
hof van het Israëlische veiligheidshek op de Westoever uit 2004.
In dit artikel wil ik twee gevallen bespreken waar eng politieke bedoelingen
van de VN in zijn uitspraken klaarblijkelijk de overhand hebben gehad. Ten eerste
gaat het hierbij om de non-legitimiteit van de nederzettingen, zoals uiteengezet in
resolutie 446 uit 1979 van de veiligheidsraad en ten tweede gaat het om het advies
van het Internationale Hof van Justitie over het Israëlische veiligheidshek. In de
conclusie behandel ik dan de vraag in hoeverre deze en andere, hier verder niet
uitgewerkte, uitspraken in het kader van het internationale recht bijgedragen hebben
tot de oplossing van het Israël/Palestina conflict. Ik zal daar betogen dat de werking
voornamelijk contraproductief heeft uitgepakt omdat beide partijen zich mede door
deze uitspraken extreem hebben opgesteld. Het zou een bijdrage aan de vrede zijn als
de organen van de VN zich een tijd niet met het conflict zouden bemoeien en het aan
de grootmachten zouden overlaten om te proberen vrede tussen alle partijen tot stand
te brengen.
De nederzettingen
Volgens resolutie 446 zijn de nederzettingen die Israël op bezet gebied heeft gebouwd
in strijd met de Vierde Conventie van Genève die een bezettende mogendheid
verbiedt om delen van zijn eigen burgerbevolking over te brengen naar bezet gebied.
Deze conventie is na de tweede wereldoorlog opgesteld om de gedwongen
volksverhuizingen te voorkomen die de Nazi’s in Oost Europa organiseerden. In het
geval van de Israëlische nederzettingen op de Westoever is er natuurlijk geen sprake
van gedwongen deportatie. De nederzettingen zijn oorspronkelijk niet het gevolg van
doelbewust Israëlisch regeringsbeleid. Integendeel, door pressie van orthodoxe Joden
heeft de Israëlische regering na de zesdaagse oorlog van 1967 moeten gedogen dat
Israëliërs zich in bezette gebieden gingen vestigen. Deze “kolonisten” vestigden zich
in onbewoonde gebieden en deden dat vrijwillig. Ook al verschaften latere Israëlische
regeringen soms subsidies aan kolonisten, dan is dit nog niet te vergelijken met Nazi
deportaties.
Dit is dan nog afgezien van de vraag in hoeverre de Westelijke Jordaanoever
als bezet gebied kan worden beschouwd. De Westoever behoorde aan geen enkele
soevereine staat legaal toe op het moment dat Israël de macht kreeg over dit gebied
tijdens de zesdaagse oorlog van 1967. Jordanië had weliswaar na de
onafhankelijkheidsoorlog van Israël in 1948 de Westoever geannexeerd, maar dat was
een illegale handeling volgens internationaal recht. Israël kan dat gebied dus ook niet
“teruggeven” aan de vorige rechtmatige eigenaar, want de vorige rechtmatige
eigenaar was in feite het Verenigd Koninkrijk dat zich in 1948 echter uit het gebied
had teruggetrokken nadat de VN in 1947 het verdelingsplan voor Palestina hadden
aangenomen. Weliswaar hadden de VN in dat plan het zelfbeschikkingsrecht van de
lokale Arabische bevolking erkend, maar die bevolking heeft dat geschenk nooit
geaccepteerd. De Arabieren hebben altijd geweigerd om een twee-staten oplossing te
accepteren. Zowel het voorstel van de zogeheten Peel commissie, in 1937 ingegsteld
vanwege de Britse regering, om het Palestijns gebied voor 2/3 deel in een Arabisch
gebied en voor 1/3 deel in een Joods gebied op te splitsen, als het VN verdelingsplan
van 1947, als de zogeheten groene lijn van de wapenstilstand van 1949 zijn niet door
de Arabieren geaccepteerd. Als gevolg daarvan liggen de grenzen tussen Israël en een
onafhankelijke Arabisch Palestijnse staat niet vast.
De Verenigde Naties heeft na de zesdaagse oorlog uitgesproken dat er sprake
was van bezetting door Israël. Het internationaal recht laat alleen het gewelddadig
bezetten van een land toe als dat gemotiveerd wordt door zelfverdediging. Dan is een
tijdelijke bezetting gerechtvaardigd totdat er door de andere, aanvallende partij
voldoende garanties voor veilige grenzen worden gegeven. Vanuit die optiek is de
bezetting door Israël rechtmatig als we er van uitgaan dat de zesdaagse oorlog in 1967
voor Israël een verdedigingsoorlog was. Dit werd impliciet door de VN ook
uitgesproken in resolutie 242 waarin tegenover ontruiming van bezette gebieden door
Israël vredesakkoorden werden verlangd tussen Israël en de Arabieren. Deze resolutie
sprak echter niet van “de” bezette gebieden en gaf daarmee impliciet aan dat de
partijen via onderhandelingen (veilige) grenzen moesten vaststellen. Er is na 41 jaar
nog steeds geen vredesakkoord met de Palestijnse Arabieren. De partijen waren er
dichtbij in de Camp David/Taba onderhandelingen van 2000/2001 toen president
Clinton, mede uit naam van Israël, aan Arafat 95 tot 99 procent van de Westoever en
beheer over de Arabische gebieden in Jeruzalem aanbood. Zoals bekend vond Arafat
dat niet genoeg en werden de onderhandelingen afgebroken. Als die
onderhandelingen ooit weer op gang zullen komen, moet afgewacht worden in welk
land de nederzettingen als gevolg van dat vredesproces terechtkomen. Overigens was
in de Oslo akkoorden van de jaren ’90 tussen de Fatah van Arafat en Israël niets over
de nederzettingen vastgelegd. Nederzettingen zouden onderdeel zijn van een finale
overeenkomst die echter, doordat over en weer de afspraken van het akkoord niet
werden nagekomen, nooit werd gesloten.
Opvallend is derhalve dat, terwijl al in 1979 door de veiligheidsraad de
nederzettingen als illegaal werden bestempeld, in latere diplomatieke processen deze
illegale status nauwelijks een rol speelde in onderhandelingen. De status van
Jeruzalem, het recht op terugkeer van vluchtelingen en de finale grenzen waren steeds
de belangrijkste onderwerpen. Het is dan ook evident dat zodra die grenzen door de
betrokken partijen zijn vastgelegd het lot van de nederzettingen ook zal zijn bezegeld.
Hoewel momenteel de nederzettingen over de gehele Westoever zijn verspreid is het,
gezien het Camp David proces van 2000, in het geheel niet evident dat nederzettingen
voldongen feiten creëren. Met andere woorden, hoewel het vanuit het standpunt van
de lokale Arabische bevolking begrijpelijk is dat de uitbreiding van de nederzettingen
als een verdere inperking van hun toekomstige grondgebied worden geïnterpreteerd,
zal een vredesverdrag de grenzen definitief moeten vastleggen. Hoe langer een
vredesverdrag uitblijft, des te hoger de kans dat de nederzettingen wel als voldongen
feiten worden geïnterpreteerd.
Het veiligheidshek
De zaak van het Israëlische veiligheidshek of “de muur” zoals die door het
internationale gerechtshof is behandeld heeft bij juristen tot veel kritische
commentaren geleid
3. Dit betrof allereerst de vraag of het hof deze zaak niet had
moeten laten rusten, gezien het feit dat één van de partijen, namelijk Israël zich niet
aan het oordeel van het hof wilde committeren. Het tweede kritiekpunt betrof de vraag
of aan het belang van Israël genoeg gewicht is toegekend, ook al wilde dat land zich
niet committeren.
Wat het eerste punt betreft, de uitspraak van het hof kon niet bindend zijn,
omdat de zaak niet was aangespannen door de betrokken landen, maar door de
algemene vergadering van de VN. In de formulering van die adviesaanvraag klonk het
vooringenomen standpunt van de algemene vergadering door. Zo werd in het verzoek
Israël omschreven als de bezettende macht in
het bezette Palestijnse gebied, die zich
door de bouw van de
muur met al zijn schadelijke gevolgen niet houdt aan de regels
van het internationale recht
4. In de aanvraag was geen enkele verwijzing naar de
motieven van Israël voor de bouw van het hek, terwijl de bouw al als illegaal werd
bestempeld. De adviesaanvraag kon niet anders bedoeld zijn dan als een verzoek aan
het hof om een bevestiging dat het hek in strijd was met het internationale recht. Er
werd kennelijk niet verwacht dat het hof, zoals bij een ‘normaal’ juridisch geschil, de
belangen van de beide partijen zou wegen. Het leek er veel op dat de Algemene
Vergadering van de VN alleen maar een juridisch stempel wenste op zijn politieke
stellingname.
Het zou het hof gesierd hebben als het geweigerd had deze rol te vervullen,
maar dat deed het niet. Het bracht een advies uit, waarin inderdaad geen belangen
werden gewogen, maar alleen maar bevestigd werd wat de Algemene vergadering
wenste te horen, namelijk dat de afscheiding strijdig was met het internationale recht.
Zo heeft het hof in zijn uitspraak niet meegewogen het recht op zelfverdediging door
Israël tegen terroristische aanvallen, omdat ze zich op het puur formeel-juridische
standpunt stelde dat het hier alleen kan gaan om verdediging tegen een aanval van een
andere Staat, terwijl de Westoever waar vandaan de terroristische aanvallen werden
gepleegd niet als een Staat werd beschouwd, kennelijk. Het hof heeft zich in zijn
oordeel verder laten leiden door de vraag of de rechten van de locale bevolking
werden aangetast. Het gaat hier om confiscatie en het agrarisch gebruik van land. Dat
zijn uiteraard terechte overwegingen, maar het hof heeft dan weer niet meegewogen
wat Israël hier tegenin heeft gebracht, namelijk dat er financiële compensatie
beschikbaar was voor eventuele gedupeerden, en er een beroep kon worden gedaan op
het Israëlische hooggerechtshof bij vermeende onrechtmatigheden.
Het belang en het mogelijke verweer van Israël zijn in deze zaak
waarschijnlijk niet meegenomen door het hof, omdat Israël besloten had zich niet aan
het oordeel van het hof te onderwerpen. Maar het hof had kunnen weten dat op deze
eenzijdige beoordeling van het veiligheidshek in het gegeven advies verstrekkende
gevolgen voor het beleid van de VN zouden volgen. Het advies werd namelijk direct
daarna door de algemene vergadering van de VN in een resolutie omgezet. Juridisch
gezien maakt dat het advies over “de muur” nog steeds niet bindend, hoewel dat door
velen wel zo wordt beschouwd
5. Inmiddels staat de “muur” voor sommigen symbool
van de Israëlische politiek van annexatie van de Westoever
6.
Conclusies
Nadat de Britten het mandaat over Palestina hadden gekregen in 1917, gaven zij de
zogeheten Balfour-verklaring uit waarin zij een Joods thuisland in Palestina
toezegden. De Arabieren hebben deze belofte nooit kunnen accepteren, en hebben
daar vanaf het begin met gewelddadigheden op gereageerd. Het conflict bestaat dus
inmiddels meer dan 90 jaar. Het door de lokale Arabieren gepleegde geweld heeft hen
nooit enig voordeel opgeleverd. Integendeel, voor de tweede wereldoorlog verloren ze
de sympathie van de Britten, na de tweede wereldoorlog verloren ze de sympathie van
de Westerse en aanvankelijk zelfs de communistische wereld. Toen, vanaf de jaren
zestig Arabische landen en het Oostblok een contra Israël gerichte politieke macht
hadden ontwikkeld in de besluitvormende organen van de VN, verloren de Arabieren
het op militair gebied van de inmiddels dominante staat Israël. Arabisch geweld hielp
nog steeds de lokale bevolking dieper de put in. De tweede Intifada vanaf 2000
ruïneerde wat er nog over was van de economie op de WestOever, maar gaf bovenal
Israël een (legitiem) excuus een veiligheidshek te bouwen, waarmee wellicht weer
nieuwe voor de lokale Arabische bevolking nadelige feiten gecreëerd werden, zoals
dat al bijna 90 jaar gaande is geweest.
De dominantie van de Arabische en/of moslimlanden in de VN, tot
uitdrukking komend in de vele resoluties die Israël veroordeelden, heeft al evenmin
tot vrede geleid. Barbertje moest hangen, maar Barbertje werkte niet erg mee. De
evident eenzijdige en juridische inconsistente onderbouwingen van vele van deze
resoluties heeft de bereidheid van Israël concessies te doen niet vergroot, maar hebben
ook Palestijnse leiders op het verkeerde been gezet. Dit is ook door de Palestijnse
onderhandelaar Agha en de Amerikaanse onderhandelaar Malley in een gezamenlijk
artikel pregnant tot uitdrukking gebracht
7. Toen president Clinton met zijn “eindbod”
kwam tijdens de Camp David/Taba onderhandelingen van 2000/2001, weigerde
Arafat op deze voorstellen in te gaan. Agha en Malley schrijven: ‘The President's [i.e.
Clinton’s] proposal showed that the distance traveled since Camp David was indeed
considerable, and almost all in the Palestinians' direction.’ De weigering van Arafat
was volgens Agha en Malley mede gemotiveerd omdat hij meende op basis van VN
resoluties recht op meer te hebben: ‘Arafat preferred to continue negotiating under the
comforting umbrella of international resolutions rather than within the confines of
America’s uncertain proposals.’
Met andere woorden, de VN resoluties die het uiterste van Israël vroegen,
hebben van beide kanten een onproductieve invloed op het vredesproces gehad. In
plaats van nieuwe resoluties, veroordelingen van of juridische procedures tegen Israël,
zou het in het belang van de oplossing van het conflict zijn als de besluitvormende
organen van de VN zich voorlopig niet met het conflict bemoeien en het aan de
diplomatieke inspanningen van de grootmachten (EU, VS en Rusland) overlaten om
een rechtvaardige en gegarandeerde vrede tot stand te brengen in het Midden Oosten.
Harrie Verbon, hoogleraar openbare financiën aan de Universiteit van Tilburg
1
Zij noemt schendingen van de mensenrechten in Ruanda, Zimbabwe en China, zie: Anne Bayefski,
One small step (is the UN finally ready to get serious about anti-Semitism),
Wall Street Journal, 21
juni 2004.
2
Hier geldt uiteraard wel dat niet alle rechters uit rechtsstaten afkomstig zijn. Zo was de voorzitter van
de commissie van het Internationale Hof van Justitie die een “advies” uitbracht over het zogenoemde
“veiligheidshek” dat Israël op de westelijke Jordaanoever heeft gebouwd, een Chinees, afkomstig dus
uit een land dat niet bepaald bekend staat om de naleving van mensenrechten.
3
Zie bijvoorbeeld diverse artikelen in The American Journal of International Law van januari 2005.
4
Request for Advisory Opinion at the International Court of Justice, 10 December 2003, beschikbaar
op:
http://www.icj-cij.org/docket/files/131/1497.pdf. Opvallend is dat er gesproken werd over “de”
Palestijnse gebieden, hetgeen in tegenspraak is met resolutie 242 uit 1967 waarin impliciet wordt
erkend dat de grenzen niet vastliggen. Daarnaast wordt de afscheiding aangeduid als een “muur”,
terwijl het grootste deel van de constructie bestaat uit metaal en voor maar een klein deel uit beton.
5
In Nederland bijvoorbeeld heeft Van Agt diverse malen betoogd dat de uitspraak van het hof als
bindend moet worden beschouwd, zie
http://www.driesvanagt.nl.
6
Zie bijvoorbeeld Maarten Barends, Israëls hegemonie kan moreel failliet niet langer verhullen,
Internationale Spectator
, maart 2008.
7
Zie Hussein Agha en Robert Malley, Camp David: The tragedy of errors, New York Review of Books,
9 augustus 2001.