Angst (vrees, bang zijn) voor alles wat joods is. Bijzondere vorm van xenofobie (de angst voor vreemdelingen). Vorm van afkeer van joden of jodenhaat waarbij racistische en/of theologische elementen van het moderne antisemitisme ontbreken.
Leon Pinsker (zionistisch pionier, 1821-1891) noemde judeofobie een ziekte, net als de Israëlische minister Benny Eilon. Judaïst en Utrechtse eredoctor Peter Schäfer gebruikt voor de eerste uitingen van haat tegenover de joden de term judeofobie, die suggereert dat er sprake is van angst voor joden.
Veel mensen denken dat judeofobie zijn oorsprong vindt in de islam. De islamitische propaganda van na WO2 zou zijn uitwerking niet missen en de joden tot een ‘vreemd’ en gevaarlijk volk maken. Anderen bestrijden dat juist. Zij menen dat judeofobie van alle tijden is en dat met de komst van het christendom en de islam het antisemitisme – uit angst voor (wraak vanuit) de moedergodsdienst - opkwam. Weer anderen geloven in complottheorieën over joodse wereldmacht en onzichtbare wereldoverheersing.
Theologen en historici hebben aangetoond dat het verschijnsel niet ontstaat nadat het christendom zich ontwikkelt, maar dat het zich al ver vóór de geboorte van Jezus voordoet. Aan de angst voor joden – met antisemitisme als gevolg - koppelen zij onder meer
· de ‘andere’, afwijkende geloofsbeleving,
· de onzichtbare god,
· de Bijbel als joods heilig boek,
· de afwijkende joodse wetten,
· de kritiek van joodse profeten op het niet naleven van die wetten en de aankondiging van straf,
· de verbreidheid van joodse kennis,
· het in de diaspora (ondanks bekering) vasthouden aan joodse gewoonten, en
· de aanwezigheid van joden in alle grote steden van de oudheid.
Andere geleerden menen dat ‘de heidense volken’ er niet in slagen, hun angst voor de god van de joden, de onzichtbare en ongrijpbare God van Israël, (die later door christenen en moslims werd overgenomen, ingelijfd, ‘geïnternaliseerd’), te overwinnen. De daaruit voortvloeiende jodenhaat is volgens hen een manier om de joodse god uit te dagen, bewijs te zoeken voor zijn bestaan, aan te tonen dat hij niet bestaat of bevestiging te vinden voor de gedachte dat hij er ook voor de heidenen is.