Priester
Persoon die een positie inneemt tussen de mensen en God of goden.
· Bijna elke religie kent het priesterschap, al worden er in verschillende religies verschillende termen voor gebruikt.
· Woord is afgeleid van het Latijn. Presbiter betekent ‘ouder’.
· Binnen de katholieke kerk is het priesterschap weggelegd voor de man. Deze mag niet trouwen; hij moet zich geheel onthouden van seksuele gemeenschap. Het idee hierachter is dat al zijn energie en toewijding gericht moet zijn op God en het geloof.
· Volgt opleiding aan het seminarie, gedurende zes of zeven jaar.
· Ontvangt priesterwijding van een bisschop.
· Na zijn opleiding wordt een priester het hoofd van een parochie. Daarbij heeft hij verschillende taken.
· Draagt verantwoordelijkheid voor het dagelijkse leven in de parochie.
· Onderwijst het geloof en staat de gemeenschap bij in het spirituele leven. Bevoegd om te preken. Dient sacramenten toe.
· De meeste taken van een priester kunnen ook door een pastor worden uitgevoerd. Een pastor kan ook de verantwoordelijkheid over een parochie hebben.
· Een priester mag alle sacramenten toedienen. Een pastoor mag daarentegen niet alle sacramenten toedienen.
· De bisschop heeft ook een priestertitel en tevens de titel van hogepriester.
· Vanwege zijn speciale band met het priesterschap wordt de Joodse stam van Juda wel de priesterstam genoemd. Later wordt ook het Joodse volk wel een priestervolk genoemd.
_____________________